Het Middeleeuwse Japan

Het Middeleeuwse Japan

Met de benoeming van Minamoto no Yoritomo tot Shogun begint de Kamakura periode (1185 – 1333). Na een relatief rustige start, wordt deze periode gekenmerkt door veel onrust en opstanden van de regionale clans.

De Mongoolse inval

Dit wordt nog versterkt door een inval van de Mongoolse legers van Kublai Khan in 1274 en 1281. En hoewel de Mongoolse legers in overtal waren en de Samoerai legers, zeker in 1274, nauwelijks voorbereid waren, eindigden beide invasies met een bijna volledige vernietiging van de Mongoolse vloot door een plotseling opstekende tyfoon. Door Shinto priesters werd dit gezien als een rechtstreekse ingreep van de goden (Kami) om het door de goden gestichte Japan te beschermen. Dit staat sindsdien bekend als de “Kamikaze”, de goddelijke wind.

Het Shogunaat realiseerde zich dat hoewel de Mongoolse legers verslagen waren men door het oog van de naald was gekropen. De wapens en gevechtstechnieken van de Kublai Khan soldaten waren superieur aan die van de Samoerai. Waar Samoerai gewend waren om vaak alleen op de vijand af te gaan, hun naam en clan te noemen en dan te wachten totdat een tegenstander van de tegenpartij verscheen, reageerden de Mongoolse voetsoldaten eenvoudig met een salvo pijlen wat tot een slachting onder de Samoerai leidde. Tegelijkertijd bleek dat de zwaarden van de Mongolen superieur van kwaliteit waren aan die van de Samoerai.
Gevolg was een aanpassing van de manier van oorlogsvoering op het slagveld en de opdracht aan zwaardsmeden om te komen tot verbeteringen. Uiteindelijk slaagde de zwaardsmid Masamune er in om een superieur zwaard te maken dat op een speciale manier gesmeed was uit een combinatie van zacht en hard staal. Daarmee ontstond een zwaard dat tegelijkertijd scherp was maar ook flexibel. Deze techniek van smeden wordt tot op de dag van vandaag gevolgd bij het maken van traditionele Japanse zwaarden (Katana).

<Lees verder>