Het vroeg Moderne Japan: de Edo Periode

Het Vroeg Moderne Japan: de Edo periode

Het succes van het Tokugawa Shogunaat hangt samen met een complex geheel van maatregelen die moesten leidden tot een absolute, niet aantastbare macht en controle over het totaal land.

De belangrijkste elementen waren de volgende.

Er werd een systeem van daimyō geïnstalleerd dat bestond uit twee lagen. De toplaag bestond uit een relatief kleine groep van de machtigste clans die via familiebanden verbonden waren met de Tokugawa clan. Daaronder stond de tweede laag van regionale daimyō die het feitelijke bestuur vormden en uitvoerden wat het Shogunaat aangaf in de vorm van edicten. Elke daimyō was gekoppeld aan een stad waar een kasteel mocht worden gebouwd. De samoerai klasse werd daarbij ondergeschikt gemaakt aan de daimyō en werd in het kasteel van de daimyō ondergebracht. Het gedrag, wapengebruik, …, van de samoerai werd sterk gereguleerd.

Speciale maatregelen werden genomen om er voor te zorgen dat qua inkomen, land, enzovoort, de Tokugawa clan in de sterkste positie bleef.

Om ervoor te zorgen dat de daimyō’s niet te machtig waren, werden zij verplicht om gebouwen in Edo (Tokyo) te kopen en onderhouden, waar zij om het jaar een jaar moesten blijven. Na een jaar in Edo moesten ze weer terug naar hun oorspronkelijk gebied waar ze dan ook weer een jaar mochten blijven.

De stringente structuur van klassen werd ontleend aan het confucianisme. Bovenaan de piramide stond de keizer met daaronder de aristocratie, maar deze laag had enkel een symboolfunctie en geen enkele macht. Daaronder kwam de Shogun, gevolgd door de daimyō’s en daaronder de samoerai. Dit was de laag waar de echte macht lag. Vervolgens de boeren, ambachtslieden en kooplieden. De hiërarchie van de piramide was de tweede pijler van het Shogunaat dat tot stabiliteit leidde.

Om de steun van de keizer en de aristocratie te garanderen, zorgde het Shogunaat ervoor dat paleizen onderhouden werden, nieuwe paleizen gebouwd en dat er ruime financiële steun was. Dit was de derde pijler.

Tot slot gaf het Shogunaat een zware rol aan de boeddhistische tempels. Elk gezin werd toegewezen aan een tempel, waardoor er een sluitend administratief systeem ontstond. Voor de bijdrage die het gezin leverde aan de tempel kreeg het een certificaat vergelijkbaar met een paspoort dat vereist was om te kunnen functioneren in de Japanse maatschappij. Hiermee was er niet alleen een sluitende burgerlijke administratie maar werd de boeddhistische gemeenschap van tempels en kloosters aan het Shogunaat verbonden als loyale partner.

Elke tegenstand werd meedogenloos de kop in gedrukt, men kon niet meer vrij reizen, reizen van Japanners naar het buitenland werden verboden, en banden met de westerse met name Europese landen werden doorgesneden. Buitenlanders, Chinezen en Hollanders mochten zich alleen vestigen op aangewezen plaatsen zoals het kunstmatig aangelegde eilandje Desima in de haven van Nagasaki. De facto was Japan voor meer dan tweehonderd jaar afgesloten van de buitenwereld.

Door de stabiliteit en rust, ontstond er een samenleving die intern gericht was maar waar kunst en cultuur bloeiden en de economische groei zorgde voor de nodige welvaart.

In deze periode was de plaats van de samoerai klasse gegarandeerd maar de beoefening van gevechtstechnieken was niet langer nodig voor oorlogsvoering maar voor training op mentaal en fysiek gebied. De belangstelling voor literatuur en andere aspecten van de Japanse cultuur zoals de theeceremonie en kalligrafie die al in de Muromachi periode was ontstaan werd verder onder Samoerai verspreid en stond in hoog aanzien. Daarbij hoorde ook de belangstelling voor en het beoefenen van Zen.